Op 9 augustus 1890 meerde het zeilschip SS Koningin Emma aan in Paramaribo met 94 contractarbeiders aan boord — de eerste Javanen op Surinaamse bodem. Voor hen begon een reis die ze niet vrijwillig hadden gekozen, maar wel zou uitgroeien tot het fundament van één van de meest hechte en cultureel rijke gemeenschappen van Suriname.
De achtergrond: een arbeidstekort op de plantages
Na de afschaffing van de slavernij in 1863 verlieten de meeste vrijgekomen Afro-Surinamers zo snel mogelijk de plantages. De Nederlandse koloniale regering moest dus elders arbeidskrachten zoeken. Ze haalde eerst Chinese (vanaf 1853) en Hindoestaanse arbeiders (vanaf 1873) maar door diplomatieke spanningen met Brits-Indië werd vanaf 1890 ook Java aangeboord, dat één van de overvolle eilanden van Nederlands-Indië was. Bovendien kostten Javaanse arbeiders de plantage-eigenaars ongeveer de helft van de prijs van Hindoestaanse arbeiders. Tussen 1890 en 1939 verscheepten de Nederlanders 32.965 Javaanse contractarbeiders in 34 transporten naar Suriname.
De werving: tussen wanhoop en bedrog
Op Java waren de levensomstandigheden zwaar. Hongersnoden, hoge belastingen en gedwongen cultuurstelsels (waarbij dorpen verplicht waren cash crops voor de Nederlandse markt te telen) hadden grote groepen in armoede gedrukt. Wervers — vaak inheemse tussenpersonen onder leiding van Nederlandse agenten — beloofden gouden bergen: vijf jaar werken in “negeri sabrang” (het land aan de overkant van de zee), goed loon, eigen huis, en de mogelijkheid om als rijk man of vrouw terug te keren. De realiteit was anders.
Veel arbeiders dachten naar een nabijgelegen ander Indisch eiland te gaan, niet naar de andere kant van de wereld. Sommigen werden zelfs ontvoerd of misleid via valse trouwbeloften. Wie eenmaal het wervingscontract had getekend zat vast — één vingerafdruk op een Nederlands document, en een schip stond op het punt om uit te varen vanuit de haven van Tanjung Priok of Semarang.
De overtocht: drie maanden over zee
De reis van Java naar Suriname was lang en gevaarlijk. Met zeilschepen en later stoomboten duurde de tocht drie tot vier maanden: via de Indische Oceaan, langs Kaap de Goede Hoop, over de Atlantische Oceaan, langs Brazilië tot aan de Surinaamse kust. De arbeiders sliepen op rijen britsen onder dek, in benauwde ruimtes met weinig ventilatie. Voedsel was rijst en gezouten vis. Tropische ziektes als cholera en dysenterie eisten hun tol; in sommige scheepsovertochten stierf 5 tot 10 procent van de passagiers vóórdat ze Paramaribo bereikten.
Aangekomen werden ze ondergebracht in barakken in Mariënburg, Domburg, Lelydorp, Nickerie en andere plantages. Het contract gold voor vijf jaar. Wie zonder toestemming wegliep — één dag te laat op het werk verschijnen — kreeg poenale sanctie: gevangenisstraf of lijfstraffen.
Van plantage naar dorp: de tweede vestiging
Anders dan de Hindoestanen, die snel de overstap maakten naar de stedelijke handel, koos de meerderheid van de Javanen na hun contract voor het platteland. De Nederlandse koloniale regering deelde grond uit in nieuwe vestigingsplaatsen, en zo ontstonden de bekende Javaanse dorpen: Tamanredjo (de naam betekent “tuin van geluk”), Lelydorp, Domburg, Mariënburg, Meerzorg, en het hart van het Javaanse Suriname: het district Commewijne. Hier werd rijst geteeld op natte sawah’s, koffie, cassave en groenten.
De gemeenschap behield haar Javaanse karakter: de moskee in het dorp, het bedehuis voor de oude kejawen-spiritualiteit, het gamelan-ensemble, de wajang-voorstellingen, en de eigen taal — Surinaams-Javaans, dat tot op de dag van vandaag door tienduizenden gesproken wordt.
De terugkeer die nooit kwam — en het schip dat nooit terugvoer
Het ontroerendste hoofdstuk van de Javaans-Surinaamse geschiedenis betreft de terugkerende migranten. Velen wilden terug naar Java; maar de overtocht was duur en de Nederlandse autoriteiten zagen liever dat de arbeiders bleven. Tussen 1890 en 1939 keerde slechts ongeveer een kwart terug. Het bekendste verhaal is dat van de SS Kota Gede in 1953, het laatste schip met Javanen die teruggingen — voor velen die achterbleven, betekende dat een definitief afscheid van familie die ze nooit meer zouden zien.
1975: tussen blijven en gaan
Bij de Surinaamse onafhankelijkheid in 1975 koos een groot deel van de Javaanse gemeenschap, net als andere bevolkingsgroepen, voor migratie naar Nederland. Vandaag wonen er ongeveer 21.000 Javaans-Surinamers in Nederland, vooral in Den Haag, Amsterdam, Hoofddorp en Almere. Den Haag is uitgegroeid tot het tweede culturele centrum van de Javaans-Surinaamse cultuur — met restaurants, gamelan-groepen en de jaarlijkse herdenking van 9 augustus, sinds 2010 een Surinaamse nationale feestdag (Dag van de Javaanse Immigratie).
Cultureel erfgoed: gamelan, wajang, saoto
De Javaans-Surinaamse cultuur is opmerkelijk goed bewaard. Gamelan-orkesten met hun karakteristieke bronzen instrumenten zijn nog actief in Tamanredjo en Den Haag. Wajang kulit (schimmenspel met leren poppen) wordt door enkele dalangs (poppenmeesters) levend gehouden. De keuken — saoto-soep, nasi goreng, bami, telo, gado-gado, sate — is één van de meest geliefde keukens van Suriname en Nederland geworden. De islamitische feestdagen worden uitbundig gevierd en de slamatan (gemeenschapsmaaltijdritueel) blijft een centrale rol spelen bij geboortes, huwelijken en overlijdens.
Een gemeenschap met twee thuislanden
Van de gedwongen vertrekkers van 1890 tot de vierde generatie in Tamanredjo en Den Haag: de Javaans-Surinaamse gemeenschap heeft van een koloniaal arbeidscontract een rijk dubbel-thuisland gemaakt. Ze tellen vandaag bijna 14% van de Surinaamse bevolking en vormen een onmisbare pijler onder de Surinaamse identiteit. Hun verhaal — van bedrog en barakken naar gamelan en saoto — is een verhaal van veerkracht, geheugen en culturele rijkdom.
— Stichting Suriname Global Group